Willem Arondéus
Rijksmuseum
De wijzen, knaap, die voor ons zijn gegaan
Nog lokt in elke roos een zoet gezicht
Twee staande menselijke figuren
Die hemels rad, die aardes vesten grondde
Mijn krank hart vond geen kruid, mijn ziel gestegen
Die schenker woont in zijn onnaakbare hallen